Parasja van de Week

Torah from Around the World

______________________________________________________________

De Eeuwige zal macht aan zijn volk verlenen,

de Eeuwige zal zijn volk zegenen met vrede.

                                                                                                                               Tehilliem 29:11

______________________________________________________________

Sjabbat 25 mei 2024/17 Ijar 5784, Behar, Wajikra/Leviticus 25:1 – 26:2
Tanach blz. 250 – 254

Haftara: Nechemja 5:1 – 13
Tanach blz. 1675 – 1676

Vertaler: Channa Kistemaker

Commentaar: Yedida Eisenstat is redactielid van de Posen Library of Jewish Civilization and Culture.

______________________________________________________________

Grenzen aan het eigendomsrecht

Rasji, de bekende middeleeuwse Noord-Franse bijbelcommentator, begint zijn commentaar op de sidra van deze week met een beroemde vraag, losjes geparafraseerd: Op welke manier heeft de kwestie van sjemita [het sabbatsjaar] iets te maken met de berg Sinaï? Met andere woorden: de wetten van Wajikra 25 – te beginnen met de beperkingen voor de landbouw in het zevende jaar, de voorschriften met betrekking tot het jubeljaar, beperkingen op de verkoop van land en slaven – zijn volledig afhankelijk van het feit dat het volk Israël in het land Israël woont. Waarom, zo vraagt Rasji zich af, werden deze wetten opgelegd lang voordat ze relevant zouden worden? Van welke relevantie zijn de wetten van de sjemita voor de Jisraëlieten op de Sinaï?

Een vraag van Rasji is zelden echt als vraag bedoeld. Net als andere rabbijnen 
was het heel vaak zo dat hij een vraag stelde om een bepaald antwoord of inzicht te kunnen geven – zoals ook hier het geval is. Rasji stelde hier nog een vraag: “Werden niet alle geboden op de Sinaï gegeven?” Met een citaat uit Torat Kohanim (ook bekend als Sifra), een oude verzameling midrasjiem over Wajikra legt hij uit dat “Net zoals [de wetten] van sjemita in al hun details op de Sinaï werden gegeven, zo werden ze [alle mitswot!] ook allemaal gegeven op de Sinaï.” Rasji’s antwoord op zijn eigen vraag versterkt het historisch-kritisch gezien problematische, traditionele Joodse dogma dat alle geboden – zowel bijbels als rabbijns, ‘geschreven’ en ‘mondeling’ – aan Mozes werden geopenbaard op de berg Sinaï. Tegelijkertijd sluit deze verklaring ook een hiërarchie van mitswot uit, zowel die op de Sinaï als die later. Ze werden allemaal op de Sinaï gegeven – zelfs de details, die volgens mij verwijzen naar de rabbijnse uitwerking van de geboden.

De structuur van Rasji’s Tora-commentaar is dat hij de bijbeltekst vaker wel dan niet met door hem gekozen vroegere rabbijnse interpretaties verweven heeft. Zijn commentaren omvatten vaak de details van de geboden, waarvan hij hier uitlegde dat ze teruggrijpen op de Sinaï. Als zodanig omvatten veel van Rasji’s commentaren op Wajikra 25 en de wetten van sjemita ‘al hun details’, dat wil zeggen de rabbijnse uitleg van zowel hoe de geboden moeten worden nageleefd als hun beoogde morele doel. Zoals Rav, een rabbijn uit de eerste generatie, de amora, uitlegde: “De geboden werden alleen gegeven zodat de [Gods] scheppingen daardoor [hun naleving] verfijnd zouden worden” (Genesis Rabba 44:1).

De Tora presenteert in de eerste helft van het hoofdstuk, in de verzen 17-19 en 23, God als landheer. Deze metafoor brengt tot uitdrukking dat de voortdurende veiligheid en welvaart van Israël in het Land afhankelijk is van de naleving van Gods geboden door het land. In feite stelt God beperkingen aan het eigendom van de Jisraëlieten:

Leef mijn bepalingen na, houd je aan mijn regels en handel ernaar, dan zul je onbezorgd in je land kunnen leven. (…) want het land behoort Mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij Mij te gast zijn. (Wajikra 25:17-19, 23)

De opsomming van de geboden in het hoofdstuk, telkens met de herinnering “Ik ben de Eeuwige, uw God” positioneert de Landheer om de beperkingen van Jisraëels eigendom en rijkdom voor te schrijven en stelt verdere eisen met betrekking tot het gebruik van onze rijkdom. Denk bijvoorbeeld eens aan vers 6: “En [wat het land ook opbrengt tijdens] de sabbat van het land zal voor u zijn om te eten – voor u, voor uw slaaf, voor uw dienstmaagd, voor uw betaalde arbeider, en voor de vreemdeling die woont bij jou.” De verhuurder verbiedt de bebouwing van de grond in het sabbatsjaar, want dat is het recht van de verhuurder. Rasji en de rabbijnen legden echter uit dat God het eten niet verbiedt van wat het land zelf zonder bebouwing voortbrengt. Tijdens het sabbatsjaar mag een grondeigenaar zich niet tegenover de grond gedragen alsof hij er eigenaar van is; hij mag de producten niet in huis halen. In plaats daarvan moet hij ze op het veld opeten, samen met zijn slaaf, dienstmaagd, betaalde arbeider en de vreemdeling – die allemaal een gelijke aanspraak maken op de opbrengst van het land zonder eigenaar.

In vers 23 legt God uit dat een Jisraëlitisch grondbezit niet eeuwig verkocht mag worden, omdat het land aan God toebehoort. In vers 35 beschrijft de Tora een situatie waarin iemands mede-Jisraëliet berooid is geraakt: “Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en zich niet kan handhaven, moet je hem bijstand verlenen, zoals je ook een vreemdeling zou helpen die bij je te gast is.” Rasji legt uit dat je niet moet wachten tot de situatie van je medemens te nijpend en wanhopig wordt om hem te helpen. Op dat moment kan het te laat zijn. Men moet helpen als zijn hand wankelt, liever te vroeg dan te laat.

De geboden in Wajikra 25 met betrekking tot de rijkdom van Jisraël zijn bedoeld om het filosofische wereldbeeld te versterken dat alles wat men heeft van God, de Landheer en Schepper van het universum komt. God mag ons dus vertellen hoe we het moeten gebruiken, voor welk goddelijk doel we het gebruiken. We zullen nooit weten of en in welke mate onze voorouders zich aan deze geboden hielden. Gebaseerd op II Divree Hajamiem 36:21, legde Rasji uit in zijn commentaar op Wajikra 25:18 en 26:35 dat de Babylonische ballingschap plaatsvond omdat Jisraëel de sjemita niet in acht nam. Daarom werd Jisraëel verbannen zodat het Land de zeventig sjemita-jaren kon inhalen waar het recht op had.

Er zit een moderne les in dit hoofdstuk, zelfs voor degenen onder ons, inclusief mijzelf, die noch een boerderij in Israël noch Israëlitische slaven bezitten. Door dit hele hoofdstuk heen herinnert de Tora ons eraan dat alles wat we bezitten van God komt. De consequentie van dit besef is dat welke opbrengst ik ook bezit – groot of klein – een geschenk van God is waarmee ik verplicht ben Gods geboden te vervullen. Dat kan een modern equivalent zijn van het zorgen voor en voeden van mijn slaven en het bevrijden ervan. Of het voorkomen dat mijn naaste in de diepte van de armoede terechtkomt, of ervoor te zorgen dat iemand krijgt wat hij nodig heeft om zichzelf en zijn gezin te onderhouden. Net als de naleving van de Sjabbat elke zevende dag, zijn ook de naleving van de sjemita en de wetten van Wajikra 25 een uitdrukking van de erkenning van God als de Bron en Schepper van het universum