Torah from Around the World
______________________________________________________________
De Eeuwige zal macht aan zijn volk verlenen,
de Eeuwige zal zijn volk zegenen met vrede.
Tehilim 29:11
______________________________________________________________
Sjabbat Sjemot, 10 januari 2026/ 21 Tewet 5786
Sjemot/Exodus: 1: 1 – 2:25 Tanach blz. 109.
Haftara: Jesjajahoe/Jesaja 27:6 – 28:13; 29:22 – 23 Tanach blz. 842.
Vertaler: Bram Lagendijk
Coördinatie: Channa Kistemaker
Commentaar: Rabbijn Beth Kalisch, als geestelijk leider verbonden aan de Beth David Reform Gemeente in Gladwyne, Pennsylvania.
_____________________________________________________________________
Hoe bescheiden is te bescheiden?
Als we het boek Sjemot/Exodus openslaan en sidra Sjemot lezen, zien we dat de Jisraëlieten gebukt gaan onder de tirannie van het ego. Farao, een tiran die zichzelf machtiger acht dan God – sterker nog, hij gelooft dat hij zelf een god is – heeft de Jisraëlieten tot slaaf gemaakt om zijn eigen macht te verstevigen.
In deze context vind ik het bijzonder passend dat de leider die opstaat om de Jisraëlieten te helpen ontsnappen aan de Egyptische slavernij, Mosje is. In de Tora wordt hij beschreven als “een zeer bescheiden man, niemand was zo bescheiden als hij”. (Bemidbar/Numeri 12:3) Terwijl de eerste woorden van farao in Sjemot gericht zijn op het onderdrukken van de Jisraëlieten om zijn eigen macht te consolideren, benadrukt onze kennismaking met Mosje in de Toralezing van deze week zijn nederigheid en zijn twijfels over het op zich nemen van leiderschap. Niemand kan Mosje ervan beschuldigen een rivaal van farao te zijn, of het Joodse volk te leiden uit zelfverheerlijking. Wanneer God Mosje roept bij de brandende struik en hem de opdracht geeft naar farao te gaan en de vrijheid van de Jisraëlieten te eisen, wijst Mosje de verantwoordelijkheid voor het leiderschap nederig vijf keer af (zie Sjemot 3:11, 3:13, 4:1, 4:10 en 4:13).
In eerste instantie is Mosje gewoon bescheiden: “Wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan?” (Sjemot 3:11), vraagt hij God. Maar God verzekert hem dat Hij bij hem zal zijn, en Mosje hoeft zich dus niet geïntimideerd te voelen. Vervolgens verlaagt Mosje zijn eigen positie onder de Jisraëlieten en wijst erop dat hij geen bewijs heeft om hen te laten zien dat hij daadwerkelijk met God heeft gesproken (Sjemot 3:13). God vertelt Mosje daarom als bewijs wie Hij is, en verzekert hem dat “de oudsten van Jisraël naar hem zullen luisteren” (Sjemot3:18). Maar Mosje aarzelt voor de derde keer: “Ze zullen me vast niet geloven” (Sjemot 4:1) Deze keer geeft God hem fysiek bewijs in de vorm van een staf die op commando in een slang verandert, de snelle genezing van een huidaandoening en de belofte dat water in bloed verandert.
Maar nog steeds is Mosje niet bereid om het aan te nemen. Hij probeert het een vierde keer (Sjemot 4:10) en wijst op zijn spraakgebrek, of misschien een algemene angst voor spreken in het openbaar, waardoor hij een slechte woordvoerder zou zijn. Wanneer God hem geruststelt dat hij die taak wel degelijk aankan, heeft Mosje geen excuses meer en smeekt hij eenvoudigweg: “Alstublieft Eeuwige, stel iemand anders aan als uw vertegenwoordiger!” (Exodus 4:13)
Soms lees ik deze discussie opnieuw en raak ik geïnspireerd door de bescheidenheid van Mosje. Dit is wat de wereld meer nodig heeft, denk ik: leiders die leiding geven vanuit dienstbaarheid aan een hoger doel, niet om hun ego te voeden. Tijdens het lezen denk ik aan hoe mijn bescheidenheid tekortschiet vergeleken met het voorbeeld dat Mosje ons voorhoudt. Ik vraag me af of ik het op me nemen van een leiderschapsrol altijd vanuit zuivere motieven heb gedaan.
Maar dit jaar heb ik op een iets andere manier over bescheidenheid nagedacht, dankzij een midrasj die ik las in een weinig bekende verzameling uit de eerste twee eeuwen van de gewone jaartelling. De rabbijnen die deze midrasj schreven, veronderstelden dat God niet ingenomen was met de bescheidenheid van Mosje, maar die juist als een belediging moet hebben beschouwd:
Ze vertelden: “Waarmee is deze kwestie te vergelijken? Het is als een koning die een dienaar had die hij zeer liefhad. De koning wilde hem tot zijn beheerder maken… Wat deed de koning? Hij nam de dienaar mee en bracht hem naar zijn schatkamer. Daar liet hij hem zijn zilveren en gouden vaten, zijn kostbare stenen en edelstenen zien, en alles wat hij in zijn schatkamer bezat. Daarna bracht hij hem naar buiten en liet hem zijn bomen, tuinen, parken, omheinde gebieden en al zijn bezittingen op het land zien. Vervolgens zei de dienaar handenwringend: ‘Ik ben niet in staat beheerder te zijn…’ De koning zei tegen hem: ‘Waarom heb je me al deze moeite laten doen, terwijl je wist dat je geen beheerder kon zijn?!’ De koning werd boos op hem en besloot dat hij nooit meer zijn paleis mocht betreden.” (Mekhilta derabbi Shimon bar Yochai 1:4) [1]
Dit verhaal, zo leggen de rabbijnen uit, kan worden vergeleken met God, die wilde dat Mosje de Jisraëlieten uit Egypte zou leiden en ongetwijfeld boos was toen Mosje zich niet op zijn gemak voelde om de taak te aanvaarden, hoewel hij bij de brandende struik met God had gesproken. Het was op dat moment en vanwege die zonde, zo veronderstelt de midrasj, dat God als straf voor Mosje bepaalde dat hij het land Jisraëel niet samen met het volk zou binnengaan. [2]
Het is een opvallend beeldend verhaal – één die onze verwachtingen over de relatie tussen God en Mosje op zijn kop zet en ons uitdaagt na te denken over de juiste balans tussen bescheidenheid en ego. Mosje werd geroepen om te dienen, geroepen voor een heilige taak, brengt de midrasj ons in herinnering. Zijn terughoudendheid was geen teken van bescheidenheid, maar van hoogmoed. Door zichzelf zo klein te maken, maakte hij zichzelf uiteindelijk belangrijker dan het volk dat hij moest dienen.
Ik denk dat het meest uitdagende deel van de midrasj de frustratie van de koning is – en daarmee van God – over alle moeite die de koning heeft gedaan, om vervolgens te zien dat de dienaar de kans om te dienen afwijst. Wat een krachtig beeld: God als soeverein op zoek naar een partner, gefrustreerd dat bekwame mensen weigeren te helpen bij al het werk dat in de wereld gedaan moet worden.
En dus vraag ik me dit jaar af, terwijl ik het gesprek bij de brandende struik lees, hoezeer ik gehoor heb gegeven aan Gods roeping. Welke ‘moeite’ heeft God zich getroost om mij voor te bereiden op de soort leider die mijn gemeenschap, mijn gemeente en mijn familie nodig hebben? Welke gaven heb ik ontvangen die verloren zullen gaan als ik er niet genoeg waarde aan hecht om ze te gebruiken? Mogen we, net als Mosje, allemaal de moed vinden om te stoppen met het verzinnen van excuses om het heilige werk te ontlopen dat we moeten doen.
[1] W. David Nelson, trans., annot. Mekhilta derabbi Shimon bar Yochai. Philadelphia:
Jewish Publication Society, 2006, p. 4.
[2] Ibid.